Home arrow Zout nieuws arrow ALLES BEHALVE VISSEN.
 
ALLES BEHALVE VISSEN.
Het relaas van een fantieke karpervisser die een wel heel speciale sessie heeft gehad. Vissen was toch rustgevend???

 

Alles behalve vissen.

( nachtmerrie uit het dagboek van een onschuldige visser)

 

Ik zat daar heerlijk rustig.

De hengels stonden keurig netjes opgesteld langs de waterkant, de karpers waren inmiddels op de stek gelokt met wat handjes maïs, en bij de broodkorstjes die ik vlak langs de kant had uitgestrooid zag ik al iets van een deining. De avond was nog jong, gisteren was hier een hele mooie spiegel boven water gekomen, dus ik leunde vol vertrouwen achterover op mijn visstoel en genoot van de rust om mijn heen. Verderop snaterden een paar eenden en een reiger kwam krijsend overvliegen.

Eigenlijk waren het alleen de bescheiden piepjes van de elektronische beetverklikker en het suizen van een snelweg in de verte, die nog aan de moderne wereld deden denken. Verder heerste er een weldadige rust.

"Alwaggevange ?"  galmde het plotseling.

 

Ik schrok me rot, donderde bijna achterover en voelde m'n hart bonken in mijn keel.

Daar had ik toch even minuten lang ( of waren het al uren ?) in gepeins verzonken gezeten, en niet in de gaten gehad dat er iemand achter me stond. Ik keek schichtig achterom, stamelde iets van "nog niet", en hoopte dat de man snel zou doorlopen, om maar vooral niet de rust te verstoren.

"Waar vist u op ?" bulderde hij door het riet. Ik fluisterde zo zacht ik kon 'karper' en kreeg het gevoel een dierbaar geheim te moeten prijsgeven aan de eerste de beste voorbijganger. Maar hij ging niet voorbij. Hij bleef staan, en kwam zelfs een paar bonkende stappen dichterbij. "Zit hier dan karper?" brulde het in mijn oor...  " zeker" mompelde ik zachtjes, hoewel ik eigelijk helemaal geen zin had om zo'n onbenullige vraag te beantwoorden. Er zou immers weer een vraag kunnen volgen - en nog één en nog één. En voor mijn fatsoen zou ik toch weer antwoord geven, zodat ik binnen de kortste keren in een langdradige conversatie verzeild zou raken. En ja hoor....."Waar vist u  mee?" schalde het over het water. Ik begon me te ergeren, maar zei niets en zuchtte harder dan ik normaal zou doen. Er volgde een pijnlijke stilte waarin ik het vertikte iets te zeggen en gelukkig begreep hij de hint. Met een beleefd " goedenavond" wendde hij zich van mij af en kraakte weg door het riet.

De karpers, die ik vanuit een ooghoek wel degelijk even aan een korstje had zien nippen, waren in ieder geval nog in de buurt, dus het feest kon alsnog beginnen. De schemering begon al aardig door te zetten, dus de goede tijden gingen komen. Er verstreek een half uurtje waarin af en toe één van de wakers een eindje omhoog schoof, gevolgd door een miniem piepje van de beetverklikker, ten teken van voorntjes die aan het aas sabbelden. Een vleermuis dwarrelde geruisloos over het water en vlak langs mijn voeten trippelde een schattig muisje dat een veilig heenkomen zocht voor de nacht. Uit het water stegen een paar belletjes op, en aan de overkant bewogen een paar rietstengels.

De karper zou vast niet lang meer op zich laten wachten.....

 

 

"Willezenenbeetje?"  hoorde ik plotseling iemand keihard schreeuwen.

Blijkbaar een gast die aan het trimmen was, want tussen de bomen zag ik een felgekleurd trainingspak opdoemen. Ik zei niets, in de hoop dat ook deze figuur snel zou passeren, maar nee, ... hij remde af  en met een ongelovige blik nam hij de situatie in zich op. "Kennu het nog wel zien in het donker?" vroeg hij, terwijl 'ie hijgde als een oude locomotief en notabene een paar kniebuigingen ging staan maken op mijn stek !. "Ja hoor" zei ik op een toon van -doe niet zo dom joh- en mijn ogen schoten vuur. Ik was echt niet van plan om op dit moment aan een willekeurige leek  te gaan uitleggen hoe er tegenwoordig op karper wordt gevist, en ik deed alsof hij lucht was.

Even was het stil en op mijn voorstek verscheen nu een breed bruisend bellenplakkaat dat goede moed gaf. Een paar tellen later sabbelde er iets aan m'n aas waardoor de optonic een elektronische piepje gaf.... ai......... "Wat krijgen we nou?" kraaide zijn overslaande stem overal bovenuit. "Een electriese bel  ??" Ik knikte bijna onzichtbaar en kreunde iets bevestigends. "Hoe werkt dat dan?" Hij stampte nog dichterbij en ik dacht dat hij zijn hand wilde uitsteken naar m'n hengel, maar  door een soort kung-fu-gebaar met mijn arm maakte ik hem duidelijk dat er nu echt grenzen waren overschreden en dat déze visser niet veel meer kon verdragen. "Zeker wel duur hè?" slijmde hij nog, om het weer goed te maken. Onheilspellende donderwolken pakten zich samen in mijn hoofd en het leek even alsof ik gromde. Hij haalde een paar keer flink zijn neus op, rochelde een fluim in het riet en brabbelde iets onduidelijks ( waarvan ik alleen " met rust laten" verstond) en veerde overeind alsof er een startschot had geklonken. De looppas die hij vervolgens inzette zag ik nog lang daarna doortrillen op het wateroppervlak. Het onheil was nog net op tijd gekeerd.

De ergernis en spanning gleden langzaam weer van me af. In de verte gaf een kerkklok de tijd aan, maar ik wilde de slagen niet tellen. Er was nog heel veel goed te maken. Het zal zo'n kwartiertje later zijn geweest toen er een paar smakken opklonken bij de korstjes vlak langs de kant..... Ha ... eindelijk..... karper !  Dus toch nog. Ik draaide geruisloos een van m'n hengels binnen, zette op de lijn alleen een enkele haak, verstopte die in een vers korstje brood en wierp het zaakje op de plek waar de karper zo ongeveer moest rondhangen. Even later zag ik een opbollende deining, nog slechts enkele decimeters van mijn korstje vandaan.... er kwamen twee zuigende lippen aan het oppervlak...... ik hield mijn adem in ........

 

 

.... toen brak de hel los !

Een oorverdovend gekraak, geritsel en gehijg steeg op uit het riet en voor ik wist wat er gebeurde sprong er een blaffend zwart monster op me af. De eigenaar van het agressieve beest probeerde nog iets van " koest Hector!" maar de kolossale bullebak had zich reeds op mijn visspullen geworpen. Voor ik het kon verhinderen stond het kalf met een onsmakelijk kwijlende bek te wroeten in mijn vistas. Ik begreep dat hij m'n boterhammen te grazen zou nemen en maakte snel een schoppende beweging met mijn voet, maar dat bleek toch niet zo'n verstandig idee, want met de uitwijkende manoeuvre die het beest maakte, trapte hij met zijn lompe poten tegen mijn openstaande blikje maïs, dat als een granaat uiteen spatte en in losse delen op mij neerdaalde. Een vreselijke vloek kwam over m'n lippen.... daarna bleef ik ingehouden beschaafd : "Alstublieft meneer, zou u uw hond even ............" ... maar op dat moment besloot die pokkehond ook nog eens zijn dorst te gaan lessen en hij slobberde vlak naast m'n hengel een twintigtal flaptongen slootwater naar binnen.

Ik kreunde " Nee hè " en keek machteloos toe , evenals de eigenaar van het mormel, die zich verstandig op de achtergrond hield.  Eenmaal klaar met drinken veerde de kolos overeind, schudde spattend zij kop en dacht wel even onder mijn hengel door te lopen... maar natuurlijk zag die eikel de lijn niet hangen en bleef hij met z'n lompe poten eraan haken. Ik hoorde een ijselijk gillende optonic en zag de hengel staan zwiepen in de steunen. Nog een geluk dat na een meter of tien de lijn losschoot en het duivelse kreng wegdenderde naar zijn baas, wiens vermoedelijk rode hoofd ik door de invallende duisternis helaas niet meer kon zien. Hij riep nog wel " sorry" maar liet me ontredderd achter tussen de puinhopen van mijn ééns-zo-mooie-stek. In mijn oog pinkte een traan, die hij jammergenoeg ook niet meer kon zien, en met gebogen hoofd begon ik de restanten van mijn visuitrusting bijeen te rapen. Je kon de golven van minstens vier verschrikt weg-gekolkte karpers nog ver zien uitdijen op het wateroppervlak.

Mentaal gebroken staarde ik lange tijd voor me uit. Ik kon wel janken. Wilde niet meer vissen, had geen zin meer.  Toen ik teneergeslagen terug fietste naar huis , plakten er allerlei vervelende spinneweb-draden in mijn gezicht, versperden grote zwermen irritante steekmugjes de weg, en de uil die veilig bovenin een boom zat te krassen, had ronduit iets lacherigs in zijn stem.

Maar dát zal wel aan mij hebben gelegen.

 

                                                                     tekst en foto's :    Geert Luinge

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
< Vorige   Volgende >